“Ik wil alles uit het leven halen wat erin zit. Uit respect voor mijn Donoren.”

door


Stephanie Keustermans (27) werd twee keer getransplanteerd. Ze dankt haar leven aan haar nieuwe longen.



Ik liep thuis de trap op, en weer naar beneden, en weer naar boven.
Zomaar, gewoon omdat ik zo blij was dat ik dat weer kon.

“Op mijn negentiende werd ik voor het eerst getransplanteerd, twee jaar later nog eens. Beide transplantaties vonden plaats in oktober, vlak na mijn verjaardag. Oktober is sindsdien dan ook heel speciaal voor mij: het is de maand waarin ik niet één, maar drié keer het leven kreeg. Al sta ik ook altijd even stil bij de andere kant: het verdriet van de mensen die rond deze tijd van het jaar een dierbare verloren hebben.

Toen ik drie jaar was, ben ik ernstig ziek geweest: ik had een encefalitis (ontsteking van het hersenweefsel) met daar bovenop het adenovirus. Na tien dagen ontwaakte ik uit coma, gelukkig zonder hersenschade. Maar mijn longblaasjes waren een voor een dichtgeklapt en werkten niet meer. De dokters zeiden dat het een wonder mocht heten als ik mijn vijfde verjaardag zou halen. Maar kijk, ik ben er nog. Al heeft mijn hele kindertijd en jeugd in het teken gestaan van mijn ziekte. Ik had constant ademhalingsproblemen, was snel moe, had al na een paar stappen geen lucht meer. Vanaf mijn vijfde moest ik dag en nacht zuurstof toegediend krijgen. Rond die leeftijd belandde ik ook in een rolstoel, omdat elke inspanning me te veel was en de dokters bang waren dat mijn hart het zou begeven. Ik moest ook heel dikwijls in het ziekenhuis worden opgenomen. Hoe vaak? Ik was een vaste klant op de kinderafdeling van Gasthuisberg in Leuven, verbleef meer in het ziekenhuis dan thuis. Dat klinkt vreselijk, en prettig was het allerminst, maar het wende wel. Het ziekenhuis werd een tweede thuis voor me, en later ook het revalidatiecentrum: ik kende er iedereen, en iedereen kende mij. Ik was er geen uitzondering, geen buitenbeentje. We maakten allemaal hetzelfde door, en dat smeedt een band voor het leven. Aan de andere kant werd ik al op jonge leeftijd geconfronteerd met vriendjes en vriendinnetjes die doodgingen. En ik kan je verzekeren: dat went nooit.

Ik kreeg les in het ziekenhuis, en ging als ik thuis was gewoon naar school. Weliswaar in mijn rolstoel, terwijl iemand anders mijn boekentas droeg, want dat kon ik niet. En van turnlessen en buiten spelen in de winter was hoegenaamd geen sprake. Op mijn vijftiende hebben de artsen voorzichtig de mogelijkheid van een transplantatie geopperd. Ik wilde er in eerste instantie niks over horen, reageerde zelfs heel opstandig. Het was voor mij een te grote stap in het onbekende. De rolstoel, de zuurstof, de medicijnen, de ziekenhuisopnames… dat was allemaal niet leuk, maar wél vertrouwd. Ik denk ook dat het toen pas tot me doordrong hoé ziek ik was, toen ik te horen kreeg dat ik nieuwe longen nodig had om te overleven. Maar het idee van een transplantatie joeg me de stuipen op het lijf, dus ik weigerde categoriek.

In de jaren die volgden, hoorde ik steeds vaker over transplantaties en leerde ik ook mensen kennen die getransplanteerd waren. Op mijn achttiende ben ik overstag gegaan en kreeg ik alle info van het transplantatieteam in Leuven, waar de ingreep zou doorgaan. Na zeven maanden op de wachtlijst kwam het verlossende telefoontje. Toen ik eenmaal in het ziekenhuis was, duurde het wachten eindeloos. Ik dacht al dat de operatie niet meer zou doorgaan, toen de verpleegsters me kwamen uitleggen waarom het zo lang duurde: de familieleden moesten van ver komen om afscheid te nemen van de donor. Ik werd er op slag stil van, besefte meer dan ooit dat er iemand moest doodgaan om mij nieuwe longen te bezorgen. En dat dit het prachtigste cadeau was dat iemand me kon geven.

De transplantatie verliep voorspoedig. Na vijf weken mocht ik naar huis en begon mijn revalidatie. De eerste maanden heb ik het nog heel rustig aan gedaan en ben ik ook thuis gebleven van school. Maar in de lente begon ik aan mijn nieuwe leven. Ik genoot met volle teugen, vaak van heel gewone dingen die voor anderen doodnormaal zijn. Ik voelde me zielsgelukkig dat ik met mijn boekentas op mijn rug van de bushalte naar school kon stappen. Ik haalde mijn hartje op tijdens de allereerste turnles in mijn leven. Ik liep thuis de trap op, en weer naar beneden, en weer naar boven, gewoon omdat ik zo blij was dat ik dat kón. Ik ging met vrienden naar Werchter en naar Marktrock. Ik ging shoppen, winkel in, winkel uit, onvermoeibaar. En na de zomer vatte ik mijn hogere studies aan; ik wilde graag kleuteronderwijzeres worden.

Dat ik de winter daarop extreem vermoeid was, schreef ik in eerste instantie toe aan de examenperiode van januari. Maar tegen de zomer bleek dat er méér aan de hand was: ik had last van chronische afstotingsverschijnselen. Mijn longen zouden het begeven. Er viel niets aan te doen, aldus de dokters. Behalve nog een keer transplanteren, als ik dat wilde. Ditmaal hoefde ik er niet lang over na te denken. Ik had gedurende iets meer dan een jaar, één fantastische zomer, mogen proeven van mijn nieuwe leven. Dat was wat ik wilde.

Ik werd meteen hoog op de wachtlijst gezet, want mijn gezondheid en longfunctie gingen razendsnel achteruit. Ik werd in het ziekenhuis opgenomen, had totaal geen spierkracht meer, viel zienderogen af, was me nauwelijks nog bewust van wat er rond me gebeurde. Half oktober kregen mijn ouders en twee zussen te horen dat ik het einde van het weekend niet zou halen als er geen longen voor me zouden zijn. Maar opnieuw was het geluk met mij: op zondagochtend bleek er een paar longen beschikbaar en werd ik meteen getransplanteerd. Dat is nu zes jaar geleden, en het gaat uitstekend met me. Ik probeer alles uit het leven te halen wat erin zit. Dat moét ik, voor mezelf, maar ook uit respect en dankbaarheid voor mijn donoren. Ik doe veel aan sport: badminton, tafeltennis en tennis. Heel intensief; ik heb zelfs al een paar keer deelgenomen aan de Europese spelen voor getransplanteerden. En vorige zomer was ik op de wereldspelen voor getransplanteerden in Australië. Het was een droom die werkelijkheid werd. En ja hoor, ik kom elke keer naar huis met een paar medailles. Die overwinningen draag ik met heel mijn hart op aan de mensen die dit alles mogelijk hebben meegemaakt: mijn donoren.”

Stephanie is voorzitster van Re-Born to be Alive, een vzw die orgaandonatie bekend en bespreekbaar wil maken, omdat er nog altijd een groot tekort is aan donoren. Meer info op www.reborntobealive.be

Dit wil je misschien ook lezen:

Laat een reactie achter

E-mail* ( is niet zichtbaar )

Scroll Up